Posts tonen met het label jeugd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jeugd. Alle posts tonen

woensdag 21 maart 2007

familie Schild

Op deze foto's zie je het gezin waarin Aad opgroeide in de periode waarin Aad en Ester verkering hadden. In ieder geval geldt dat voor de eerste foto, want je ziet daarop helemaal aan de linkerkant de schoonmoeder van Aad: Elisabeth van Rijn. Verder Aad zelf, schoonzuster Ineke Castel en moeder Janna van Egmond. Op de tweede foto zie je de drie broers: Wim, Joop en Aad. Er moet ook nog ergens een mooie foto zijn waar iedereen op staat. Die komt nog.
Op de laatste foto zie je Aad in de tuin van zijn ouderlijk huis.

familie van der Deijl

Deze foto is waarschijnlijk gemaakt in de tijd dat Aad en Ester verkering hadden of vlak voor hun huwelijk. Je ziet het gezin waarin Ester is opgegroeid, van links naar rechts: vader Jan van der Deijl, Truus, Piet, Ester en moeder Elisabeth van Rijn.

maandag 12 maart 2007

Ester op vakantie






Op deze foto's zie je Ester op vakantie. De eerste foto is uit de tijd dat zij in Leiden bij het advocatenkantoor werkte. Ester was toen twee keer op vakantie in een kamphuis op de Veluwe, samen met een collegaatje. Ze waren (de fiets ging mee) op de trein gestapt, maar vergaten een keer uit te stappen. Zo kwamen ze in alle staten in Zwolle terecht. Gelukkig mochten ze van de conducteur mee terug zonder te betalen.
De tweede foto is van een vakantie in Doetinchem, toen Ester in Oegstgeest werkte, samen met collega Lenie Ammeraal (rechtsonder op de foto).

van banketbakkersleerling tot kok

Als je de vroege loopbaan van Aad bekijkt, vraag je je misschien wel af hoe alles zo heeft kunnen lopen. Ik vroeg er Aad naar, en hij schreef er het volgende over:

"In de oorlogsjaren 40 – 45 kwam ik weleens in de bakkerij van Pauwtje van Delft, later bij Rob van Vreedendaal aan de Vliet NZ (in Rijnsburg). Daar maakten ze lekkere en mooie dingen o.a. “turfjes”en “rozen”. Toen waren er nog geen frietes en andere dikmakers. Wij jongens kochten toen turfjes bij Pauwtje van Delft, maar ook druiven per kistje bij Tavenier in de Burg.Meyboomstraat.

Zoals eerder gezegd, wilde ik banketbakker worden. Mijn vader - die ertegen was - zocht als geboren Leidenaar de destijds alom bekende zaak van Van Dam op de Steenstraat uit. Ik verdiende er f 4,= per week. De chef patissier bij van Dam, de heer Jan Tindeloo, werkte daar al jaren en ving mij als broekie van 15 jaar geweldig op. Van hem heb ik het vak geleerd. In die tijd moesten de klanten nog boter en suiker inleveren voor koek en gebak. Dagelijks moest ik de berg boter, die nog in de papiertjes zat, schoonmaken. Dat was niet echt leuk. Jan Tindeloo gaf ook thuis les, op een gegeven moment aan zes mensen tegelijk: dan gaf hij les in zaken die bij van Dam niet voorkwamen. O.a. sorbetijs en andere lekkernijen. Ook moedigde hij mij aan om cursussen te volgen in suiker trekken, garneren (met cornet) en marsepein sierwerk. Dat deed ik in Voorhout in het RK Seminarie bij broeder Dalmatius van Heel. De vakkennis en toewijding die ik bij chef Tindeloo heb geleerd zijn, achteraf gezien, de basis geweest voor m’n verdere loopbaan. Dhr van Dam zelf verstond het vak niet. Zijn vader wel; die was de grondlegger van de zaak geweest.

Uiteindelijk ben ik bij van Dam weggegaan, doordat de patroon een winkeljuffrouw onheus behandelde. Dit was een jonge vrouw uit Rijnsburg van de bakkersfamilie Tijsterman! Vandaar ging ik naar Pauwtje Ravensbergen in Rijnsburg. Deze zaak werkte in het groot, wat mij wel aansprak om kennis te maken met deze productiewijze: andere ovens (wentelovens), andere machines en meer gerichte productie. Ene Joop Knipscheer had daar de leiding. Er werkten fijne mensen zoals Hans Veldman en Naut. In deze afdeling werd gewerkt voor b.v. kantines, winkels etc. We maakten gevulde koeken (via een heel aparte productie), spritsen etc. De winkel, die fantastisch liep, had een aparte productie. De klanten stonden buiten in de rij.

Toen ik dit bekeken had, wilde ik wat anders gaan doen. Via een advertentie werd ik aangenomen bij de Graaf: een volkszaak in de Kooi (een volkswijk in Leiden). Een gedreven eigenaar met leuk personeel. Andree de chef en Jan……… een UVS fan. Tussen de middag werd er gekruisjast. Er werd goed gewerkt. De Graaf zelf was een vakman, die veel wist en hij maakte b.v. qudrille beslag, dat ik niet eerder was tegengekomen.

Toen begon bij mij het idee post te vatten: als ik in dit vak doorga, wil ik voor mezelf beginnen; zo niet dan wil ik de keuken erbij leren. Aldoende solliciteerde ik naar de functie van koksleerling bij restaurant Meerrust in Warmond. Volgens oom Jan Bertram een klasse zaak, althans toen hij daar werkte als botenspecialist en technieker, ver vóór mijn tijd. Het werd een teleurstelling; reden: ik was er niet een van hen. Het type restaurant was er één van dure auto’s met oudere mannen met een scharrel. Het personeel : in de keuken 3, buffet 2 en verder een portier en kelners. Er werd gezopen: op stille dagen het meest, en als de bazin er niet was. Ze sloten zich op in een kamer tot ze lam waren. De enige jonge vrouw, die daar werkte (aan het buffet; zij dronk niet) werd door chefkok de Witt achterover gehouden met het hoofd onder de kraan, terwijl de buffetchef haar betastte; ze gilde het uit.

De volgende dag werd ik beschuldigd van diefstal. Ik ben toen op mijn fiets gestapt en naar Noordwijk gereden en solliciteerde bij Huis ter Duin en Hotel Noordzee. Het werd Hotel Noordzee voor het lopende seizoen. Hier werkte ik met chef Bol, een Hagenaar. Hotel Noordzee was destijds een familie pension. Jaarlijks hadden ze veelal dezelfde gasten, o.a. de familie Staal van Hotel Krasnapolski uit Amsterdam. Daar leerde ik de beginselen van een echte keuken.

Nico Driebergen, een jeugd kameraad, werkte in Wassenaar bij banketbakkerij kokerij De Wolf. Met Nico reden we eens op de fiets in Katwijk, en we werden aangehouden door politie agent De Bruyn. We mochten niet achterop de fiets zitten, en hebben dus valse namen opgegeven. Op de een of andere manier wist de Bruyn dat we in een bakkerij moesten werken. Hij bezocht ze allemaal in Katwijk en Rijnsburg, maar vond ons niet! Nico ging dus bij De Wolf weg, en zei: Aad is dit iets voor jou, en ja hoor we werden het eens. Deze betrekking was intern, dus had ik voor het eerst een kamer buiten de ouderlijke woning. Ook hier heb ik veel geleerd. Het zogenaamde betere werk. Het kwam ook wel voor dat er een dure auto met chauffeur stopte en dat de dame die eruitstapte alleen maar 1 luxe bonbon wilde hebben, want daar had ze plots zo’n trek in. Dit voorval typeert o.a. het type klanten dat daar kwam. Maar ook de gewone man was er welkom. Hier werkte Greetje Hilhorst als winkelmeisje; een lief meisje waar ik een oogje op had. De kokerij stelde niet echt veel voor; meer o.a. aanvullingen op “home cooked meals” zoals bouchees – slaapmutsen – charlottes e.d.

Wegens een oproep voor militaire dienst ben ik van hieruit naar Bergen op zoom gegaan en later naar Leiden de militaire koksopleiding. Na plm 6 maanden zat de militaire dienst er weer op. Toen gesolliciteerd bij de HAL ( Holland Amerika Lijn). Daar heb ik veel geleerd en hard gewerkt op verschillende boten met veel goede vaklieden. Dit was het groot keuken gebeuren. Dagelijks voor plm. 1000 mensen meerdere maaltijden per dag en op de cruise reizen was het heel hard en goed werken. Reden dat ik tot twee keer toe een maagzweer heb gehad. Bij de keuring die daarna volgde werd ik afgekeurd voor de zeevaart.

Wat nu!!! Het werd het cafe restaurant De Seinpost in Noordwijk; ook van de fam. Van Beelen. Na het seizoen gesolliciteerd bij de KLM, waar ik als rottiseur via een dag proef werken werd aangenomen door chefkok Krielaard voor 100 gulden per week. Na plm 10 maanden werd ik uitgezonden naar Bangkok."

woensdag 28 februari 2007

jeugd Ester

Het gezin van Jan van der Deijl en Elisabeth van Rijn woonde in het huis "het Noorden". Het huis stond op het duin aan de Oranjeweg. Er was een grote tuin bij (zie over dit huis ook het verhaal bij huis nr 8 van Aad en Ester).
Op de linkerfoto zie je Ester spelen in he duin met de bolderwagen. Op de foto daarnaast zie je Ester met neefje Daan Noort (de oudste zoon van haar Tante Ko van Rijn en Oom Dirk Noort) in de mandenmakerij van haar opa (Willem van Rijn) in Rijnsburg.
Op de derde foto zie je Ester voor het huis staan. In het linkerdeel, "het Zuiden", woonde haar oma Hester plug met haar nicht Hester. Ester woonde in het rechter deel, "het Noorden". Ester en Truus sliepen boven met z'n tweeën op één kamer.
Op de vierde foto opnieuw het huis, met op de voorgrond Ester en Truus die met Ankie van Rijn met een pony aan de gang zijn. Ester schrijft over deze ponyrit: "De pony is waarschijnlijk van de familie Beuk. Zij woonden aan de overkant van de Oranjeweg. de Fa. Beuk was en is een groot autobedrijf. In die tijd hadden ze een paardenstal en koetsen maar ook taxi's en tourbussen en luxe auto's voor bruiloften en begrafenissen en dagtochten of vakantievervoer. In de zomer hadden ze een rijtuigje met die pony ervoor op de boulwvard rijden met Beuk-kinderen als koetsiers compleet met hoge hoed .Tegen betaling kon je een ritje maken."

Op de vijfde foto zie je het interieur van de grote woonkamer. Op feestdagen werd de haard aangemaakt. Moeder Elisabeth serveerde dan zelfgemaakte advocaat. Wanneer het sinterklaas was, kregen Ester en Truus vaak zelfgemaakte poppenkleertjes van hun moeder. Ester had een lichtgekleurde schildpadpop, Truus eentje met een donkere huidskleur. Ze kregen broekjes, jasjes, pyjama's en zelfs gehaakte capes.

De kleren die Ester en Truus droegen, maakte hun moeder Elisabeth van Rijn ook zelf. Ze hadden een bruine plooirook, met een aangenaaid mouwloos hemdje.

Ester kreeg vaak van haar vader Jan van der Deijl op haar kop.

Jan en Elisabeth hadden 's zomers altijd badgasten. In die tijd speelden Ester en Truus veel buiten. Ze werden er zo bruin van, dat de mensen vaak niet wilden geloven dat zij geen Indische of Italiaanse, maar Nederlandse meisjes waren. Vooral als er gasten waren, was het een gezellige tijd.

Ester ging naar de (gereformeerde) lagere School met den Bijbel in Noordwijk. Hiernaast zie je een schoolfoto van Ester (links) en haar zuster Truus (rechts, met strik). Daarna heeft Ester de 3-jarige MULO A gedaan. Ook in de oorlog. Het huiswerk moest zij maken bij het licht van een olielamp omdat er geen elektriciteit was.

Ze ging vaak bramen plukken bij Zandvoort. Dan kreeg ze allemaal schrammen op de benen. Als ze dan langs het strand terug ging en door het zeewater liep deed dat goed zeer, maar het genas weer snel. Bij het bramen plukken is Ester in de oorlog ook een keer door de Duitsers opgebracht. Er waren toen nog duinen vanaf de Quarles van Uffordstraat tot en met de Hoogwakersbosstraat. In die duinen lag een stuk golfterrein. Ester ging dan met haar nichtje vanuit de Quarles via een zwart sintelpad het duin in richting golfclubhuis, waar de Duitsers zaten. Ze zochten die keer een stukje achter de afrastering van rollen prikkeldraad, want daar stonden natuurlijk de prachtigste bramen. Via een plankje kon je over het prikkeldraad heen komen. Ze keken goed of er niemand aan kwam, toen stonden er plotseling twee Duitse soldaten voor hun neus die vroegen wat ze daar deden. Ester en haar nicht werden meegeno­men naar het clubhuis en moesten een poos wachten. Daarna zijn ze weer vrijgelaten. Ester dacht wel "wat jullie ook doen mijn bramen krijg je niet". Ze heeft het daarna nooit meer zo gedaan.
In 1942/43 bleef Ester gewoon in bed liggen tijdens het bombardement van de Engelsen op Valkenburg en Noordwijk. Je kon de Tommies loeiend horen overvliegen en de bommen vielen fluitend naar beneden. Op een gegeven moment stond Noordwijk van Binnen tot Zee in de fik. Later in de oorlog kon ze de V1's zien over komen. Aan het begin van de oorlog ontploften er wel mijnen op het strand.

Ester en Truus moesten in de oorlog onder andere de mest en de voetsporen van de koeien, die in 's nachts de kelder onder "het Noorden" illegaal geslacht werden wegwerken.
Toen het gezin in 1944 moest evacueren wegens het leggen van een mijnenveld, heeft Ester haar vader geholpen met het blinderen van "het Noorden". Alle ramen werden dichtgetim­merd. Haar vader heeft toen de kop van zijn hamer rakelings langs haar hoofd laten vallen. Het gezin evacueerde naar de Quarles van Uffordstraat.
In de hongerwinter was er niet veel te eten. Ester en Truus gingen soms met een winterpeen tegen de honger naar bed. Juist in die hongerwinter was haar moeder Elisabeth van Rijn zwanger geworden. Toen de geboorte dichterbij kwam, ging Ester met haar vader de wieg en nog wat andere spulletjes uit "het Noorden" halen. Op een gegeven moment moesten Ester en Truus op zolder gaan slapen (op de Quarles). Toen ze de volgende ochtend beneden kwamen, was hun broertje Pieter Leendert geboren.

Ester slaagde in 1946 voor haar MULO-A. In die zomer heeft ze ook een typdiploma gehaald dat duurde 4 maanden. Daarna ging zij solliciteren.

jeugd Aad


Hiervoor zie je enkele jeugdfoto's van Aad. Op de eerste foto zie je Aad, Joop en Wim. Op de derde foto zie je Wim, Joke, Janna (hun moeder) en Aad op het strand. Klik op de foto's om een grotere versie te bekijken.

Het volgende stuk is door Aad zelf geschreven:
"Ik heb een ansichtkaart in mijn verzameling gevonden, waarop je een goed inzicht krijgt van het straatje waar ik ben opgegroeid, en zo is het ook in m’n herinnering. Het straatje heette het Hofje, een doodlopend straatje. Eind dertiger jaren werd de inrichting en de naam veranderd in Noordeinde en werd het een doorgaande straat. De straat werd opnieuw ingericht.

Op het plaatje (klik erop om een vergrote versie te bekijken) zie je een tweesprong : rechtsaf de Koestraat en links af het Hofje (Noordeinde). Aan het begin zie je een paard staan, daar was de smederij van “Gerrit de smid”; ook het paarden wagentje hoorde daarbij. Verderop in het Hofje staat een voertuig ik denk een brik, op die hoogte woonden wij en ook het bedrijf van mijn oma en opa stond daar. Ook zie je de bomen, die mijn moeder gebruikte om mij aan vast te binden. Verkeer was er niet: alleen handkarren en een enkele bakfiets. M’n oma, die naast ons woonde had daar een soort kruidenierswinkeltje à la Albert Heijn op de Zaanse Schans. Wij stonden op onze klompen naar het lekkers te kijken, dat voor het raam lag.
Onze ouders vonden het beter dat Joop en Aad in Leiden naar school gingen, een ULO school met als hoofd de heer Gathier. Altijd op de fiets. De laatste tijd van de oorlog was er geen school meer of we konden niet.

Gedurende de jaren vanaf 1943 tot het einde ben ik koerier geweest voor de afd. Leiden van de “ondergrondse” waar mijn vader ook bij betrokken was. Meestal betrof het illegale krantjes, die een aantal mensen rondbezorgden. Ook bracht ik pakjes en krantjes naar Katwijk bij een fietsenmaker. Ook het geld, dat de mensen doneerden moesten we verantwoorden b.v. Tra fl. 10.--, LNS fl. 5.-- enz. Dit stond dan in de krantjes een paar dagen later. Eenmaal heb ik goed in de rats gezeten. Ik fietste van Leiden naar Rijnsburg, er stonden gewapende Duitse militairen bij het voormalige kruithuisje bij de Tesselschadestraat; ik kon dus niet meer terug of afslaan, dus op hoop van zegen verder; allemaal in de rij; ik met een volle schooltas achter op m’n damesfietsje met blokken aan de trappers. Iedereen werd ondervraagd en ik mocht gelijk door. De schooltas hoefde niet open. Het was wel schrikken, maar we gingen er toch mee door. Tot het eind van de oorlog (WO II). Na de bevrijding was er feest in de Stadsgehoorzaal met o.a. Corrie Vonk en Wim Kan. Bij die gelegenheid kregen wij, Joop en ik, een oorkonde (klik erop om een vergrote versie te bekijken).
M’n Vader was hierin veel dieper betrokken, maar hoe minder wij wisten, hoe beter. Ook hadden wij voor en in de oorlog inkwartiering: voor de oorlog: Hollandse officieren met paarden en hun vrouwen. Zij de beneden verdieping en wij boven. Later kregen we een Duitse officier, een aardige vent, Kurt was zijn naam. Het liefst waste hij zich buiten onder de pomp. Dan mochten wij pompen. Totdat hij ook naar het front moest. Hij had het over fahren gegen Engeland. M’n Vader kon aardig Duits met hem praten. Hij zei eens: "Unsere Zeit kommt auch". Daar moest Kurt om lachen.
Over hoe het werk dat Vader en wij deden toch bekend werd bij mensen die dat niet mochten weten het volgende: op drie Maart 1944 zaten we met ons gezin aan het avondeten toen er gebeld werd. Moeder deed open, en daar stond een mooie vrouw, goed gekleed op naaldhakken, die Vader wilde spreken. Toen Vader naar de voordeur liep, kwam ze in de gang staan en vertelde dat er die nacht een razzia zou worden gehouden en dat hooggeplaatste inwoners van hun bed zouden worden gelicht. Uiteraard wisten we gelijk wie die vrouw was: zij verkeerde in hoge Duitse kringen. Vader nam deze mededeling bloedserieus en ging op de fiets de notabelen van Rijnsburg af. O.a. Ds Van Niftrik en dokter vd.d.Laan (dat weet ik zeker). M’n broer Wim ging naar Warmond (hij was onderduiker). Waar Vader naartoe gegaan is weet ik niet meer, maar de enige die van bed werd gelicht was de Burgemeester, op vier Maart 1944, de verjaardag van mij en m`n zus. Vader’s Leidse connecties dachten dat de burgemeester fout was. M’n Vader had nadrukkelijk gevraagd het verder door te geven aan diegenen, waarvan ze wisten dat die gevaar konden lopen. Zij allen waren die nacht vertrokken, maar met name dokter v.d.Laan wist dat de burgemeester aan de goede zaak werkte. Deze vrouw, die geschuwd werd, kwam met gevaar voor eigen leven dit vertellen en de huisarts v.d.Laan bleef in gebreke. Piet Sik en de rest werden wel ingelicht. (Z’n commentaar was: Hij was toch niet weggegaan). Maar niet geschoten is altijd mis. Burgemeester G. Hermans kwam nooit meer terug. De naam van de vrouw is/was Roza de Mooij. Deze vrouw verdient rehabilitatie, (haar hart zat op de goede plaats) en dokter v.d. Laan de koude douche.
Voor de hongerwinter zocht m’n Vader een uitweg om aan voedsel de komen. Zo pompten wij olie op bij een villa aan de Zijdeweg in Wassenaar op de buitenplaats van Freule van Lijnden. De olie werd in drums gepompt; ook werden er een paar bomen gekapt als camouflage. Teun van Delft, die een ploegbedrijf had op de Sandlaan, haalde de vaten op een sleperswagen met een sterk paard naar Rijnsburg. Die operatie was niet zonder gevaar. De V I werd op de aangrenzende buitenplaats afgevuurd en olie was in heel Nederland niet te vinden. Toen de olie nog geen uur bij ons in de schuur lag, kwam veldwachter van Veen al poolshoogte nemen. M’n Vader is toen met de Gaarkeuken overeengekomen, dat er twee schepen van konden varen naar Friesland om voedsel te halen, en dat er een bovendekse lading naar Wassenaaar ging en uiteraard voor onszelf. Heel Rijnsburg heeft hiervan gegeten.
Voor vlees had Vader de oplossing: konijnen. Op een moment hadden wij er 100, van klein tot groot. Dagelijks gras snijden viel niet mee, want wij waren niet de enigen. Voor melk had hij de oplossing: een geit (vreet ook gras). Ik moest leren melken, maar voor het zover was moest zij eerst jongen. Dus Joop en ik naar de Sandlaan om de geit te laten dekken bij de bok. Dat deed “Men”, die werkte bij een boer bij ons in de straat. Toen we in de Baron van Wassenaarstraat aankwamen en vroegen om de geit te dekken, was het antwoord (ik zal het nooit vergeten): “Vader is niet thuis en Moeder dekt geen gàiten”. Later is het wel gelukt: we kregen een jong geitje, maar weinig melk."

Schoonzuster Leny vulde dit laatste verhaal nog aan: Toen de geit gejongd had, probeerde Johan (Aad's vader) de geit te melken, maar er kwam niks. "De Zoeker" werd erbij gehaald, en toen lukte het wel: maar liefst een half kopje melk kreeg hij eruit. Johan moet toen zo teleurgesteld zijn geweest, dat hij zei: "Dan moet hij maar de pot in". Zo gezegd, zo gedaan. Toen Joop (de broer van Aad) thuiskwam en merkte dat de geit geslacht was, ging die helemaal uit zijn dak: "Moordenaars!".

Aad sluit dit stukje af met het volgende:
"Toen de oorlog afgelopen was, zei m’n Vader: "En nu aan het werk”. Het werd banketbakkersleerling, bij van Dam op de Steenstraat in Leiden." Over de verschillende werkgevers die Aad gehad heeft tot aan het moment dat hij in militaire dienst moest, is een apart stukje geschreven.
Hieronder zie je een foto van Aad's ouderlijk huis aan het Noordeinde te Rijnsburg.

dinsdag 16 januari 2007

koken en schieten: Aad in militaire dienst

Hierboven zie je Aad in uniform tijdens zijn militaire dienst. Aad werd eind 1949 als 19-jarige jongeman opgeroepen in militaire dienst. In Bergen op zoom was Aad gelegerd in de Korte Heyligers Kazerne, bij de 2 TL Luwa (7 mm Tegen Luchtdoelen). Na zijn opleiding in Bergen op Zoom werd Aad overgeplaatst naar de Morspoortkazerne en kreeg hij les in de Doelenkazerne, waar de militaire koks werden opgeleid, maar ook in de veldkeukens in de duinen van Katwijk. Bij elkaar zat Aad maar een half jaar in dienst omdat het 2 TL luchtdoelgeschut werd vervangen door 4TL luchtdoel geschut (E.e.a. op advies van generaal Eisenhouwer die in Nederland kwam om de boel door te lichten). Aad zwaaide dus al in juni/juli 1950 af, en hoefde niet eens meer op herhaling omdat hij ging varen bij de Holland Amerika Lijn en dus niet voor zijn uitrusting kon zorgen. Hieronder zie je groepsfoto's die bij de kazerne en in de veldkeukens bij Katwijk. Klik op een foto om een vergrote versie te bekijken. Over de verdere werkervaringen van Aad is op een andere plaats een apart overzicht gemaakt.